Een tovenaar, wat stram van leden,
zat bij de vlammen met zijn kolf
en klotste daar een wondergolf
één druppel spatte uit het heden
ontplofte in de haard tot wolf
en loeide knetterend gebeden
blies scherpe walm van vuige zeden
de stroom van zindering bedolf
met smeulend lava de plavuizen
de oude man sloeg met zijn hoed
hij piepte weerloos, zoals muizen,
maar in zijn haar verscheen al gloed:
het vuur kwam in zijn mantel huizen.
Men vond van hem een hoopje roet.

