Hemels

Ik wou de hemel gaan bezoeken:
een tripje naar de eeuwigheid
en liefst weer terug voor etenstijd.
Ik vond de route in de Boeken

en ging op pad. De snelweg leidt
al gauw naar hoeren, stelen, vloeken;
het smalle paadje vergt meer zoeken.
Toch raakte ik het spoor niet kwijt.

Helaas! ik bleek vergeefs gekomen.
Een wachter hield de poort op slot.
Ik mocht wel van de hemel dromen,

maar binnen mocht ik niet. Kapot
kwam ik weer thuis. Daar in de bomen,
in hemels blauw, klonk kwetter. God?