Kom terug

(opgedragen aan François Haverschmidt, 1835-1894)

Volg rode seinen. Rails die roesten
op knekels kermend om een stap.
Je volgt de sloot. Een spoor van drab
langs grauwbestoven schaduwknoesten

waar oud papier vergaat tot pap
de vliegen zoemend hoop verwoesten
en teringzwammen zwavel hoesten.
Zelfs stekelstruiken hangen slap.

Ik weet hoe recht je aan kwam stormen
hoe fel en feller de orkaan
van je lach, je lucht, je enorme

gedonder mij voorbij zou gaan.
Je liet mij stilte, stank en wormen.

Kom terug. Dan zal ik voor je staan.