Diep in het wildewoud waar eiken
in bladergroen ten hemel gaan
waar ridders rijden, rovers slaan
en heksen in hun vuurtje kijken
daar trok een beer de stilte aan
lag opgerold naar rust te reiken
de schaduw leek vanzelf te wijken
van avondgloei naar nevelmaan
toen kwam een fee, een ijler wezen
zij zong hem fluisterwoordjes toe
al wat ze in zijn slaap kon lezen
hij zuchtte nog, betoverd moe,
er was geen reden iets te vrezen.
Zal hij ooit wakker worden? Hoe?

