Mijn berg verbergt een donderplosie,
in gloei verscholen gigaknal,
de tijdbom van mijn lotgeval.
Nog tikt die duvel in een doossie
dat knellend krap is, angstig smal,
gebalde spanning die ik zo zie:
de ketel zingt, er kookt emotie
waar ooit de plotsklap barsten zal.
En als de tijd komt, vroeg of later,
ontvouwt zich hier een bliksemschicht
van blinde hitte, dreun en klater
die het gehoor en zicht ontwricht.
Gedachten smelten, woord wordt water
en ik verdamp, vervlieg allicht.

