De dagen blijken puzzelstukjes
een wirwar die zijn bodem vindt
in groenig blauwe grijze tint,
een rommelhoop van ongelukjes
en over schemer scheert de wind
van weerwilwasem, losse rukjes
die tornen aan de takkenplukjes,
bij vlagen gretig als een kind
dat liever grijpen wil dan aaien:
de laatste blaadjes stuiven rond
zoals de kraaien cirkels draaien
die hoog in bleke avondstond
tot ver verstrooide stipjes waaien
waar wijkend licht de hemel vond.

