De kersenbloesems zijn gevlogen
op regenvlagen losgegraaid
in witte warrel weggewaaid
de vlokjes jagen voor je ogen
totdat ze liggen uitgezaaid
en zoals sneeuw door dooi bedrogen
verwelkt gesmolten opgezogen
in modder die de onschuld paait,
verdwenen, weg, alweer vergeten
maar toch niet van de wereld los:
ze zakken in een lange keten
dwars door de aarde naar een bos
waarvan wij niet het plekje weten
en worden daar weer bloesemtros.

