Diep uit de diepte rijzen dieren
daar zweven reuzen naar de kerk
hun kathedraal het welvend zwerk
waar boogbaleinen hoogmis vieren
van eb en vloed van wieg en zerk
ze duiken op om zilte wieren
met bubbelsporen te versieren
en spatten zilver met hun vlerk
totdat ze naar de sterren blazen:
een hemelhoge spuitfontein
die ver verwaait in mistig wazen
waar wij verdwaalde scheepjes zijn
en waar de twinkels zich verbazen
hoe nietig mensen zijn, hoe klein.

