Er sluipt een monster door mijn hoofd
een ondier dat in klamme nachten
zijn tanden zet in draaigedachten
zoals de wolf die kippen rooft,
die in de struiken ligt te wachten
tot vonkjes glimlicht zijn gedoofd
en schemering vrij spel belooft —
dan kromt hij zijn gebalde krachten
en springt plots op om rond te bijten
hij grauwt en gromt en trekt en sleurt
om barsten in mijn brein te splijten
ik schreeuw wel dat een ramp gebeurt
maar kan ik dat die wolf verwijten?
Ben ik niet zelf die mij verscheurt?

