Ikzelf zal spoorloos ver verwaaien
weg met het ruisen in de wind,
van zonlicht dat ons oog verblindt
naar zand waarin je vingers graaien
van druppels waas op korrels grint
naar knispering waar vlammen laaien
tot grasgeur als de boeren maaien
en warrelzaad dat kruiden spint,
ik zal weer stofjes zijn, verweven,
alom verstrooid, onzichtbaar klein
in aarde, lucht en al het leven:
dus ook in adem, brood of wijn.
En daarmee is vanzelf gegeven
dat ik een deel van jou zal zijn.

