Ik droom weleens de fonkeltijden
toen alles nieuw was, overvol
van toverglans tot kolderol
de uren door geen klok gescheiden
de avondmaan doorzichtig hol
de ochtendzon kon wolken rijden
die mam tot wittebrood zou snijden
ze trok ook truien uit de wol
rondom het dorp lag lege aarde
daar was de verte, daar was niets
dan hemel, God die ons bewaarde
en soms de tinkel van een fiets.
Geen later dat het nu verzwaarde:
de dagen draagbaar, of zoiets.

