De schaapjes zeilen langzaam over
hun bleke boog van hemelblauw
ze fluisteren van ijle kou
hoog boven wiegewuivend lover
en scheepjes ginder in het nauw
die drijven daar de deining dover
hun verre ronkbonk is te pover
om op te spatten uit het grauw
en wieltjes zweven op de wegen
ze rollen ruisend rond de dijk
waar schaduwen het weiland vegen
en mensen waaien insgelijk
steeds heneweer en danweertegen
van daarnaarwaar: een wolkjesrijk.

